donderdag, januari 30, 2014

 

Waarom zou ik mijn levensverhaal vertellen, dacht ik, toen ik gevraagd werd. Ik ben maar een gewone huisvrouw, verpleegster, getrouwd met zeeman Wiep van der Zee, moeder van 2 kinderen en oma van 5 kleinkinderen. Niets bijzonders. Een rode draad in mijn leven? Eerlijk gezegd, naarmate ik ouder wordt en terugkijk op mijn leven, vraag ik me wel eens af, wat ik er eigenlijk van gemaakt heb. In mijn leven lopen wel lijnen, maar het lijkt wel of die nergens naartoe gaan.

Pauline van der Zee

Met die twijfel in mijn hoofd zag ik op een tentoonstelling een driedimensionaal kunstwerk van beeldend kunstenaar George Nijs. Het leek wel een verbogen paperclip, waarvan de lijnen alle kanten op gaan. Maar als je er vanuit een bepaalde hoek naar kijkt, komen al die stukken toch samen tot een prachtige ster.

Ik ben in 1930 als oudste van 6 kinderen geboren op Celebes. Mijn vader is na zijn studenten- tijd naar Indonesië gegaan op zoek naar werk en avontuur. In Soerabaja ontmoette hij mijn moeder, enig kind van de plaatselijke Marine commandant. Het was liefde op het eerste gezicht en dat is altijd zo gebleven. Als kinderen hebben we dat sterk gevoeld.

We hadden een heerlijke onbezorgde jeugd. Toch heb ik me altijd onzeker gevoeld. Het gevoel dat ik nergens goed genoeg voor was. Die onzekerheid heb ik nooit helemaal van me af kunnen zetten. Pas veel later heeft iemand mij eens uitgelegd, dat dat het gevolg kan zijn van een heftige emotionele gebeurtenis op heel jonge leeftijd. Toen ik met mijn ouders terugkeerde naar Nederland was ik 2,5 jaar oud. De twee baboes, die zo goed voor mij en mijn broertje hadden gezorgd, verdwenen plotseling uit ons beschermde leventje, zonder uitleg en zonder afscheid. Ik weet nog dat ik de hele reis op de Marnix van st. Aldegonde mijn broertje geen moment uit het oog verloor uit angst hem ook kwijt te raken.

Mijn schooltijd bracht ik door in Eindhoven. De oorlog zijn we redelijk goed doorgekomen. Door ziekte liep ik wel een forse leerachterstand op, met als gevolg dat ik een paar keer in de derde klas van het gymnasium bleef zitten. Ik ging naar de Middelbare Meisjes School, die in 1946 was opgericht door mevrouw Philips. Kort daarvoor nam ik deel aan een uitwisselingsprogramma in Engeland. Het werd mijn eerste contact met wat later Morele Herbewapening bleek te zijn. Het was precies wat ik als 17 jarig onzeker meisje nodig had. Hoop voor de toekomst. Het gevoel ergens voor te leven.

'de lijnen van mijn leven'

Op een avond hadden we met die internationale uitwisselingsgroep een boeiend en inspirerend gesprek over de vraag of wereldvrede mogelijk zou zijn. Een belangrijk onderwerp natuurlijk zo kort na de oorlog. Hetzelfde onderwerp kwam kort daarna in een kringgesprek tijdens een schoolweekend ter sprake. Niemand geloofde er in. Toen ben ik opgestaan en heb mijn mening gegeven, gebaseerd op wat ik in Engeland had ervaren. Het was voor het eerst in mijn leven dat ik dat in het openbaar durfde. De volgende morgen werd ik vroeg wakker. Ik had het gevoel dat de geblindeerde ramen in mijn toren open werden gegooid. Zicht en ruimte stroomden naar binnen. Het is een ervaring, die ik nooit zal vergeten.

In 1949 ging ik voor het eerst naar Caux, het internationale centrum van Morele Herbewapening in Zwitserland. Ik hielp daar de hele zomer in de huishouding. Na afloop werd ik uitgenodigd om deel te nemen aan de ‘College of the Good Road’, een 'Trainingscourse in inspired Democracy'. Ik heb daar veel geleerd over de ideologische strijd, die in de wereld woedde. Het was een verrijkende en leerzame tijd. Ik heb daarna even overwogen om fulltime te gaan werken met Morele Herbewapening, maar voelde me daar toch te onzeker voor. Bovendien wilden mijn ouders dat ik een beroep zou leren. Het werd de verpleegstersopleiding aan de Prinsengracht te Amsterdam.

Mijn eerste echte vriendinnen komen uit die tijd. Vriendinnen die ik nog regelmatig zie en spreek, ook al woont er één op Vancouver Island in Canada. Met Wiep ben ik diverse malen bij haar en haar man op bezoek geweest. Na Wieps overlijden heb ik op hun terrein een boom voor hem mogen planten, een Japanse Judasboom. In 2010 hebben mijn dochters en ik daar een bank bij gezet met zijn naam. Vorig jaar was ik er weer en bij thuiskomst zag ik tot mijn enorme verrassing, dat de gemeente naast mijn voordeur ook een Judasboom had geplant. Wieps as is op zee verstrooid, zijn boom staat op Vancouver Island met een replica naast mijn voordeur.

Met mijn verpleegstersdiploma op zak wilde ik naar Indonesië, mijn geboorteland. Vanwege alle onrust rondom de onafhankelijkheid kon dat alleen per boot. Op advies van een kennis solliciteerde ik bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland, werd aangenomen en maakte verschillende reizen met de Johan van Oldenbarnevelt via Australië naar Indonesië. Aan boord ontmoette ik 2e stuurman Wiepke van der Zee. We zagen wel wat in elkaar, maar waren beiden bang voor 'zoutwater liefde'. Een klein jaar later ging hij op voor zijn volgende rang, terug naar de zeevaartschool. In dat jaar leerden we elkaar goed kennen. Maar toch werd ik overrompeld, toen hij mij tijdens een zeiltocht op de Vinkeveense plassen ten huwelijk vroeg. Zou ik wel in staat zijn een (zee-)man aan me te binden? Gelukkig had Wiep daar geen twijfels over.

Eind 1958 zijn we getrouwd in de Remonstrantse kerk in Eindhoven. Toen begon mijn leven als zeemansvrouw pas echt. Wiep was thuis toen in februari 1960 onze oudste dochter Marina werd geboren. Drie dagen later vertrok hij voor een reis van 5 maanden. Vervolgens na een paar dagen thuis weer weg voor 4 maanden. Hij miste de eerste verjaardag van Marina en kwam pas weer thuis 7 weken nadat Anneloes in april 1961 was geboren. Zo ging het door - Wiep vaak weg op lange reizen, ik met de kinderen thuis. We hielden contact via lange brieven. Voor een sociaal leven was nauwelijks tijd. Wiep was in die tijd niet erg geïnteresseerd in Morele Herbewapening. Ik wilde hem er zo graag mee in contact brengen, maar hij was er nooit als er in de zomer of in de kerstperiode een conferentie in Caux, het conferentiecentrum in Zwitserland, was.

Toen de kinderen 8 en 9 jaar waren, was er eindelijk gelegenheid om met het hele gezin een paar dagen rond Pasen in Caux door te brengen. Het was in een moeilijke periode in ons leven. Er was veel onvrede op de vloot. De postverbindingen waren slecht. De reizen werden langer, het verlof korter. En ik dacht Wiep nodig te hebben bij de opvoeding van onze kinderen. Ik stimuleerde hem om een baan aan de wal te zoeken. Maar ik was nooit tevreden, salaris, status, toekomstverwachtingen, niets was goed genoeg. Het gaf veel spanning tijdens zijn schaarse verloven. Die keer in Caux vond ik op een morgen een briefje naast het bed van één van de kinderen liggen: Lieve Heer, maak mama weer gelukkig'. Toen besefte ik, dat ik zelf moest veranderen en de tijd moest nemen om na te denken waar ik mee bezig was. Ik moest eerlijk zijn over mijn motieven, mijn jaloezie op al die vrouwen, die hun man naast zich hadden, met goede banen en een sociaal leven.

Ik heb hem een lange brief geschreven en hem aangemoedigd zijn eigen keuze te maken. Wiepke bleef varen. Maar in onze relatie was een nieuwe fase aangebroken. Als je man vaak en lang van huis is moet je belangrijke beslissingen alleen nemen. Middelbare school voor de kinderen of de keuze van een ander huis, waarnaar we op zoek waren. Zo zat Wiep op zee toen ik in Heemstede een huis vond met een verwilderde tuin waar een moerbeiboom in stond. In 1938 had mijn grootmoeder een gedicht van Nicolaas Beets in mijn poëzie album geschreven: 'De moerbeitoppen ruischten'. Toen ik die boom zag wist ik dat het ons huis zou worden. Ik moest snel beslissen.

Toen 30 mooie jaren later de moerbei tijdens een storm omwoei vonden we het tijd om te verhuizen. Er staat nu een kleiner exemplaar in een pot op mijn balkon, een verjaardagscadeau van de kleinkinderen bij mijn 75ste verjaardag. De koop van het huis was een grote stap. Maar ik had meteen de gedachte, dat we het niet alleen voor ons eigen gezin zouden gebruiken. En dat bleek ook het geval te zijn. Mijn grootmoeder (die het gedicht over de moerbei in mijn album had geschreven) heeft de laatste jaren van haar leven bij ons in huis gewoond. Daarna heeft ook mijn schoonvader, die begon te dementeren, geruime tijd bij ons gewoond.

Wieps interesse in het werk van IC groeide. Na zijn pensionering raakte hij steeds meer betrokken, vooral bij een aantal praktische zaken. Zo begeleidde hij samen met Brian Lois uit Engeland werkweken in Caux, waarin allerlei opknapklussen werden uitgevoerd. Onlangs wees Elisabeth, de vrouw van de inmiddels ook overleden Brian, mij erop, dat de namen van onze dierbare mannen vereeuwigd stonden in een door hen gerenoveerde buitengevel!

Als zeemansvrouw mocht ik af en toe mee aan boord. Zeker nadat de kinderen het huis uit waren, ging ik eigenlijk altijd mee. Dat waren stuk-voor-stuk heerlijke onderbrekingen van het leven thuis. Zo heb ik veel van de wereld gezien. En overal ontmoette ik mensen met wie ik gesprekken had van hart tot hart. Het zijn dankbare herinneringen.

Tot slot kom ik nog even terug bij het kunstwerk van George Nijs. Toen ik naar die opengevouwen ‘paperclip’ stond te kijken en daarin die prachtige ster ontdekte drong het tot me door, dat ook de uiteenlopende lijnen in mijn leven sterk met elkaar verbonden zijn en samen komen in een kunstwerk, waardoor ik een heel gelukkig leven heb gehad en me een rijk gezegend mens voel.

Kees Scheijgrond