zaterdag, november 9, 2013

Toespraak van Aad Burger in de Duinzichtkerk in Den Haag bij het afscheid van Dick van Tetterode die op de leeftijd van 93 jaar op 30 oktober 2013 is overleden.

Wanneer ik denk aan Dick gaan mijn gedachten terug naar 1946, 67 jaar geleden. Dick was toen 25 jaar oud, ik 17. We leerden elkaar kennen op de eerste naoorlogse conferentie van Morele Herbewapening in het Zwitserse Caux boven Montreux. Het was vlak na de oorlog. Europa verwoest. Zwitserland relatief een oase. We waren daar met jongeren uit vele landen om het oude hotel Caux Palace in orde te maken voor Frank Buchman en het internationale team uit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië en delegaties uit alle werelddelen.

De opdracht was de wonden van de oorlog te helen en een nieuwe wereld op te bouwen. Dick was al voor de oorlog in contact gekomen met de Oxford Groep en Morele Herbewapening, was in Leiden medicijnen gaan studeren. Door de Duitse bezetting en het sluiten van de Leidse Universiteit moest Dick onderduiken. Hij vond onderdak bij boer Van het Oever in Kamperveen. Na de bevrijding kon hij weer in Leiden gaan studeren. Ik had net mijn eindexamen gymnasium gedaan en zou in september 1946 in Leiden rechten gaan studeren. Ik was nieuw in Morele Herbewapening. Maar toen Dick en ik elkaar in Caux leerden kennen spraken we af dat we samen zouden proberen een sterk team aan de universiteit op te bouwen om daarmee een bijdrage te leveren aan de wederopbouw van Nederland en Europa.

Dick van Tetterode

Leids studententeam

Dick was inmiddels 6e jaars en ik 1e jaars met de groentijd nog voor me. Het was, zeker voor die tijd, een ongewone combinatie, maar er is wel wat uit voortgekomen en we zijn tegelijk vrienden voor het leven geworden. We hielden dagelijks stille tijd om te zien wat ons te doen stond en waar we zelf verder konden veranderen. Het samen te doen was niet altijd eenvoudig omdat Dick als medisch student vroeg begon en ik als eerste jaars vaak tot laat in de nacht op de Sociëteit moest zijn. We spraken dan af om half zeven ’s morgens!

Ook anderen hebben dit met Dick meegemaakt en het heeft ons leven veranderd en een nieuwe richting gegeven.Van dit Leidse studententeam van 1946 en de jaren daarna zijn enkelen ook nu nog in leven en hier aanwezig, met name Betty Gunning-Hintzen, Henk van Nieuwkerken en wat jonger Hens Burger.

In die eerste jaren na de oorlog werd aan de universiteit geprobeerd oude scheidsmuren te overwinnen. Er was maar één gezelligheidsvereniging, het Leids Studentencorps met de Sociëteit Minerva en voor de vrouwelijke studenten de VVSL, waar iedereen min of meer vanzelfsprekend lid van werd. De gereformeerde studentenvereniging SSR en de Rooms Katholieke Studentenvereniging Ausgustinus richtten zich op godsdienstige vorming. Dick was voorzitter van de SSR en later van de Christen Studenten Raad die als doelstelling had Protestant en Rooms Katholiek bijeen te brengen en aan meer begrip, tolerantie en verzoening te werken.

Voor ons was belangrijk dat we ons met Morele Herbewapening actief konden richten op het Corps en Sociëteit Minerva omdat we daar ook de studenten van SSR, Augustinus en de NCSV (De Nederlandse Christelijke Studenten Vereniging) leerden kennen. Onze tijd in het Zwitserse Caux was in die tijd “interessant nieuws” omdat zo vlak na de oorlog bijna niemand de kans kreeg naar het buitenland te gaan. En Morele Herbewapening als basis voor de wederopbouw trok ook flink de aandacht. We probeerden met elkaar een sterk studenten- en jongerenteam op te bouwen, aan de universiteiten en ook elders in het land.

Elk jaar ging een aantal studenten,vaak bestuursleden, naar de zomerconferenties in Caux. Een paar van ons woonden in het NCSV-huis op Rapenburg 4 en daar kwamen we als team regelmatig bij elkaar om plannen te smeden en te zien waar we zelf verder konden veranderen. Daar kwam bij Dick het idee op dat hij als hij was afgestudeerd als arts naar Indonesië wilde gaan om de mensen daar te helpen en bruggen te slaan tussen dat land dat onafhankelijk wilde worden en Nederland die daar niet echt aan wilde meewerken. Hij raakte ook nauw bevriend met een Indonesische islamitische student waarvan hij veel te weten kwam over Indonesië en de Islam.

Indonesië

Toen Dick als arts was afgestudeerd was er gezien de gespannen betrekkingen voor een Nederlander geen mogelijkheid om in Indonesië als arts in dienst te treden, maar die visie, die opdracht van God zoals Dick dat voelde, is hij nooit vergeten en later heeft hij met Agathe vele malen Indonesië bezocht. Onder het Soekarno-bewind was Morele Herbewapening een van de westerse organisaties die verboden waren. Maar Dick en Agathe slaagden erin met verschillende mensen echt vrienden te worden voor het leven en samen te zien hoe op basis van de eigen godsdienst een morele vernieuwing van een land bevorderd kon worden.

Later is hun werk voortgezet door Australische medewerkers van Morele Herbewapening, nu Initiatives of Change en is er een team van jonge Indonesiërs ontstaan die zich in eigen land en elders in Azië inzetten. Dick en Agathe konden bij hun bezoeken ook voorbouwen op het werk dat Trudes en Gusta Voorhoeve, Lotty van Beuningen, Dirk de Loor, Frits Philips, Jap de Boer, Peter Hintzen en anderen hadden gedaan om bruggen tussen Nederland en Indonesië te bouwen.

Militaire dienst

Maar eerst moest Dick direct na het afronden van zijn studie in militaire dienst. Met een ander lid van het team, de arts Johan Oosters, die ook zijn dienstplicht moest vervullen, kwam hij op het idee een cursus over ideologische scholing in het leger, die in Caux was opgesteld, ook in Nederland aan de orde te stellen. Dit trok de aandacht van verschillende hoge officieren die betrokken waren bij de opleiding en die zich afvroegen hoe een leger dat in die tijd voor een groot deel uit dienstplichtigen bestond, in de naoorlogse situatie gemotiveerd kon worden. Dick was inmiddels adjudant geworden van de generaal die aan het hoofd stond van de Geneeskundige Troepen en had de rang van kapitein. Johan en hij werden ontvangen door de toenmalige chef van de generale staf, generaal Kruls die hen aanmoedigde hiermee verder te gaan.

Maar er waren ook bedenkingen o.a. van de geestelijke verzorging die vond dat zo’n cursus van Morele Herbewapening teveel op hun eigen terrein kwam. Ook Dick en Johan en het team om hen heen, vroegen zich af of ze deze weg verder konden volgen. Hun diensttijd in het leger liep af en ze zouden een groot aantal medewerkers moeten scholen om al het defensiepersoneel te bereiken. Ze vonden dat ze zelf ook veel meer internationale scholing nodig hadden. Het idee van de cursus had geholpen om een aantal leidende militairen te bereiken, maar daar moest het voorlopig bij blijven. Die zouden zelf ermee aan de slag moeten gaan en een van hen, generaal Koning, deedt dat ook.

Klassenstrijd

Dick voegde zich ook bij de mensen, veelal studenten, die deel namen aan acties voor Morele Herbewapening in West-Duitsland. In de verwoeste steden en bedrijven daar was een worsteling ontstaan tussen mensen die probeerden de democratie wortel te laten schieten en mensen die streden om de nationaalsocialistische ideologie te vervangen door de communistische. De communistische partij Duitsland, de KPD, was heel sterk in de kolenmijnen en staalfabrieken in het Roergebied. Bij het opvoeren van toneelstukken en beleggen van bijeenkomsten raakten ook de Nederlanders vaak in gesprek met geschoolde communisten die ook tijdens het Hitler-bewind hun partij trouw waren gebleven. Was de klassenstrijd met zo nodig een nieuw gewapend conflict de oplossing of was het mogelijk allemaal te veranderen en samen een nieuwe maatschappij op te bouwen.

In een brochure ‘Es muss alles anders werden’, stelde Morele Herbewapening dit aan de orde. Dick won het vertrouwen van een paar gestaalde communistische arbeiders en zou daar jarenlang mee samenwerken, ik denk aan Max Bladeck en Paul Kurowski. Ook waren er veel contacten in de Rotterdamse haven en scheepsbouw, waarbij Dick bevriend werd met mensen als de kraanmachinist Jan van Komen en Piet Dinkelaar van de Droogdokmaatschappij RDM. Toen in 1952 een internationaal team uit Caux naar Afrika zou gaan, werden ook Paul Kurowski en zijn vrouw uitgenodigd. Pauls reactie was dat ze graag mee zouden gaan, maar alleen als Dick van Tetterode als arts en kameraad hen zou begeleiden.

Afrika

En zo gebeurde het. In Zuid-Afrika werd door het bezoek van dit team de strenge apartheidsregels doorbroken o.a. met een grote bijeenkomst in het Stadhuis van Kaapstad waar voor het eerst ook leidende figuren van de zwarte bevolking welkom waren. Agathe nam ook deel aan dit bezoek en speelde een belangrijke rol als nazaat van Jan van Riebeek. Ik zelf heb die reis ook meegemaakt als jong afgestudeerd jurist en reserve-officier van de Koninklijke Marechaussee.

Toen ik later met een paar anderen achterbleef in West-Afrika om daar het werk van Morele Herbewapening uit te breiden en daar in Nigeria polio kreeg, hielp Dick om mij tenslotte in Nederland te revalideren. Hij schreef me dat hij een keer de gedachte had gehad mij te waarschuwen dat een langer verblijf in West-Afrika risico voor mijn gezondheid meebracht en dat ik dat moest weten als ik besloot daar langer te blijven. Hij had die gedachte niet opgevolgd en dat speet hem. Ik schreef hem terug dat ik het gevoel had gehad dat ik daar langer moest blijven en dat ik dat als een opdracht van God had gevoeld. En dat je in dat gevecht net als in de oorlog gewond of gedood kon worden. Maar dat Dick dit aan mij schreef, laat zien de echte en eerlijke vriendschap die hij voor de mensen om hem heen had.

Dick als arts

Als arts heeft Dick vele internationale actiegroepen van Morele Herbewapening begeleid. Als er even tijd was ging Dick zijn deskundigheid als arts bijspijkeren waarbij hij ondersteund werd door artsen die actief waren in Morele Herbewapening zoals Sjoerd Hidema en Tony Roodvoets. In het conferentiecentrum in Caux was een kleine ziekenafdeling waar Dick en andere artsen verantwoordelijk voor waren. Later werden de medische regels verscherpt en moesten deelnemers gebruikmaken van Zwitserse artsen en ziekenhuizen in Montreux en omgeving.

Dick trok als arts onder meer mee met internationale actiegroepen in India zoals de historische March on Wheels onder leiding van Rajmohan Gandhi, een kleinzoon van Mahatma Gahdhi. Het verhaal gaat dat de internationale bezoekers een keer ondergebracht werden in een soort kampement en Dick als arts moest zorgen dat bij het verblijf en de voeding alle hygiënische regels in acht werden genomen. Dit moest heel strikt omdat hun werk met toneelstukken en bijeenkomsten niet mogelijk was, als er mensen ziek werden. Hier kwam Dicks ervaring als reserve-officier goed van pas. Hij wilde dat het terrein waar men logeerde goed en grondig werd schoongemaakt, maar hoewel er een flinke ploeg schoonmakers en schoonmaaksters beschikbaar was, werden zijn aanwijzingen niet opgevolgd. Zo’n terrein helemaal schoonmaken zoals die Nederlandse arts wilde, waren ze niet gewend. Dick kreeg een ingeving. Hij pakte zelf een schop en een bezem en ging aan het werk. Zo iets hadden ze nog nooit gezien: een blanke arts die niet alleen bevelen gaf, maar zelf de handen uit de mouwen stak. Al snel volgden de schoonmakers zijn voorbeeld en het hele terrein werd goed schoon gemaakt.

Slavernijverleden erkennen

Dick en vanaf 1965 Dick en Agathe waren bij zoveel dingen betrokken dat ik niet van alles melding kan maken. Eén voorbeeld wil ik nog noemen. Dick was actief lid van de International Christian Fellowship, afdeling Den Haag. Daarvoor hield hij in 2007 een inleiding over ‘Heling van de wonden van de slavernij. Hij zei toen onder meer: Van de 250.000 Surinamers in Nederland wordt verwacht dat zij begrip opbrengen voor de verliezen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het wordt hoog tijd dat de Nederlanders op hun beurt het slavernijverleden erkennen.’ Dick was op dit punt zijn tijd echt vooruit en het is goed dat nu in het jaar dat het slavernijverleden wordt herdacht, dit uitdrukkelijk te noemen.

Kerkenraad in Leiden

Toen Agathe en hij nog enkele jaren in Leiden gingen wonen, werd hij daar voorzitter van de kerkenraad. Een ander aspect van Dick was zijn acteer-talent. Er was een tijd de gewoonte om als een bijeenkomst al te serieus werd, een wedstrijd te houden waarbij iedereen een dier moest nadoen. Dick eindigde altijd als nummer 1 omdat hij op indrukwekkende wijze een grote aap, een chimpansee, nadeed. Ook toen Dick zelf ouder werd, had hij steeds veel belangstelling voor kinderen en jongeren. Toen ik mijn eigen kinderen, nu rond de veertig, vroeg wat zij zich speciaal van Dick herinnerden, noemden ze dat Dick en Agathe een keer een week bij ons thuis op hen kwamen passen. Ze hadden daar goede herinneringen aan en Rutger vertelde dat Dick met hem naar de zolder ging om samen met de trein te spelen. Ook andere gezinnen zoals de Scheijgronds hadden de ervaring dat Dick gemakkelijk met de kinderen in gesprek raakte en met hen optrok.

Alles samenvattend herinner ik mij Dick door de jaren heen als bekwaam arts, trouwe vriend en medestrijder. Een man met een groot geloof die de weg wilde gaan die God hem wees, bijna 50 jaar samen met Agathe.

Dick, we zullen je niet vergeten. Dank voor alles wat je voor mij en anderen hebt betekend.

Aad Burger, 8 november 2013